Wat is Bevrijdingstherapie ?

De naam op zich zegt al heel wat ! Het is een therapie die je kan aanwenden om je te bevrijden van allerlei narigheden uit het verleden.

De Bevrijdingstherapie is een psychoanalytische  methode voor de behandeling van psychische en psychosomatische klachten.

Ze is bestemd voor mensen die zich niet goed voelen in hun vel of die met iets in de knoop zitten en die knoop zelf niet meer kunnen ontwarren. Deze problemen zijn nogal eens het gevolg van vroeger opgedane ervaringen die nooit verwerkt zijn, maar verdrongen werden naar het onbewuste, omdat ze te onaangenaam of te pijnlijk waren. Deze verdringing gebeurt meestal onbewust.

Wanneer bewuste en onbewuste dan in een bepaalde situatie met mekaar in conflict komen kunnen allerlei neurosen ontstaan. Deze neurosen gaan op de duur een « eigen leven » leiden en bepalen vrij vaak ons gevoelsleven en het contact met medemensen.

Het is juist de bedoeling van de « Bevrijdingstherapie » om de oorzaken van deze neurosen op te sporen en er zich van te bevrijden en terug vrij te kunnen leven.

Hoe verloopt de Bevrijdingstherapie ?

Elke therapie, dus ook de “Bevrijdingstherapie” wordt voorafgegaan door een grondig intakegesprek of voorgesprek. Tijdens dit gesprek leren therapeut en cliënt mekaar in de eerste plaats beter kennen.

Vervolgens worden de problemen grondig besproken en geeft de therapeut een duidelijk beeld van wat een “Bevrijdingstherapie” inhoudt. Er wordt ook nagegaan of er geen tegenindicaties zijn voor het volgen van deze therapie.

De therapie zelf dan, bestaat uit twee fasen : een bevrijdingsfase en een verwerkingsfase.

De bevrijdingsfase bestaat uit 9 sessies van anderhalf tot twee uur, en dit gedurende drie weken, drie maal per week.Deze fase kan men beschouwen als de fundering van je verdere leven.

De verwerkingsfase duurt minimaal 3 maanden tot een jaar en dit tot wanneer geen begeleiding meer nodig is. In deze periode komt de cliënt regelmatig (volgens afspraak) bij de therapeut voor sessies van één à anderhalf uur. In deze fase werken we aan de "opbouw" om vrij en zonder "knopen" door het verdere leven te gaan.

Welke problemen kan men aanpakken ?

Angsten en fobieën : irrationele angsten, fobieën zoals pleinvrees, vliegangst, hoogtevrees…

Verlegenheid en geremdheid : het moeilijk functioneren in groep, moeilijk contact leggen met andere mensen…

Emotionele problemen : het moeilijk kunnen omgaan met emoties, depressietoestanden, agressiviteit

Relatieproblemen : problemen binnen een relatie, zowel gezinsrelatie als werk-relatie (autoriteitsconflicten)

Minderwaardigheidscomplexen en schuldgevoelens : de cliënt voelt zich niet veilig in zijn omgeving, neemt steeds alle schuld op zich en voelt zich minderwaardig

Psycho-somatische aandoeningen : lichamelijke klachten, zoals hoogdpijn, migraine, lage rugpijnen allergieën etc, die geen gevolg zijn van een lichamelijke letsels of afwijkingen

 

Herken je jouw probleem ? Aarzel dan niet en neem met ons contact op voor een vrijblijvend intakegesprek.

Meer info ? klik  HIER

Contact opnemen ?  klik  HIER

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

;

De positie van de Bevrijdingstherapie in het veld van de Psychotherapie.

 

Soms horen we wel eens zeggen dat er evenveel psychotherapieën zijn als dat er therapeuten zijn. Dat is natuurlijk wel zo, maar toch kunnen we niet anders dan bepaalde abstracties te maken. Het grote voordeel hiervan is dat we zo een overzicht krijgen van dat brede psychotherapeutische veld waarin de Bevrijdingstherapie een duidelijke plaats heeft. 

Van deze nieuwe therapie hebben de meeste mensen nog niet gehoord en men kan zich, terecht, de vraag stellen waarom we met een nieuwe therapie komen, als er al zovele bestaan. Welnu, het antwoord hierop heeft niets te maken met de behoefte om gewoonweg met iets nieuws af te komen. Nee, waar het allemaal om draait, is de evolutie van een bepaald denkkader. Niet enkel de technologie van bijvoorbeeld het telefoneren evolueert, maar ook de inzichten om de noodlijdende medemens te begeleiden, verandert.

Elders (Zie: ‘Van Tempelslaap tot hypnose – de geschiedenis van de hypnotherapie’) hebben we al beargumenteerd dat lang geleden, mensen genezen konden worden door een bepaald soort priester, die magische rituelen voltrok. Tegenwoordig doen dit soort behandelingen zich niet meer voor, tenzij men de praktijken van sjamanen van afgelegen stammen in Afrika, in rekening neemt. Heden ten dage slaat een dergelijke behandeling in de ‘beschaafde’ wereld niet meer aan. Er moest dus iets anders komen. Welnu, samen met de evolutie van religie, mensvisie, materiële omstandigheden,… evolueert ook de hulpverlening.

De bal die bijvoorbeeld Paracelsus en Mesmer aan het rollen gebracht hebben, rolt nog steeds verder. Gelukkig maar. Deze lawine heeft tot gevolg gehad dat er mensen zijn die er hun beroep van gemaakt hebben, om na te denken over het ‘helen’ van psychisch leed.

Zo heeft de negentiende eeuw onderzoekers voortgebracht die enkele contouren afgetekend hebben van wat zij als werkzaam achtten op vlak van psychotherapie. Hun inspanningen kunnen we, grofweg, als volgt opsplitsen:

1. De directieve richting.

De therapeut neemt hier een actieve rol op zich, in die zin dat hij oplossingen aanreikt. Heel vaak rekent men de hypnose hiertoe, in die zin dat bij deze psychotherapievorm suggesties gegeven worden, waardoor symptomen weggewerkt worden. Men neemt dan aan dat het lijden ook verdwijnt. Het ‘begrijpen’ van de symptomen staat eerder op de achtergrond. Dit betekent eveneens dat men niet echt ingaat op de inhoud van het verhaal van de cliënt: het verdriet rond een overlijden, een traumatische ervaring in de jeugd gehad hebben,… Men is meer gericht op de uitingswijzen van de krenkende ervaringen, zoals bijvoorbeeld slapeloosheid, relatieproblemen, seksuele problemen,… die men dan ook afzonderlijk gaat behandelen of weg-suggereren.

Los van de hypnose was het Watson die deze directieve vorm toepaste op zijn cliënten. Hij gaf de aanzet tot wat men ‘gedragstherapie’ is gaan noemen. Hij baseerde zich op zijn ondervinding dat mensen ‘maakbaar’ zouden zijn. Daarom zei hij ook tegen jonge moeders dat ze hem gerust hun kind mochten toevertrouwen en zeggen wat ze ‘ervan’ wilden maken. Hij kon van de kinderen een astronaut, dokter, schrijnwerker,… maken. De ‘kneedbaarheid’ van de mens stond centraal.

Het ‘behaviouristische’ model van Watson, het gedrag dat centraal stond, evolueerde achteraf tot het ‘neo-behaviourisme’ en ‘cognitieve’ stromingen, waarbij nog steeds de uitingswijze, het symptoom, centraal staat.

Nochtans zijn er symptomen of beter, cliënten, die bij een louter symptomatische aanpak, niet voldoende gebaat zijn. Ze moeten begeleid worden op een zodanige wijze, dat ze meer zicht krijgen op hun onbewuste conflicten enerzijds en anderzijds moeten ze in staat gesteld worden om deze conflicten bewerkbaar te maken.

2. De non-directieve richting.

In deze richting neemt de therapeut eerder een passieve rol op zich en laat hij de cliënt zelf zoeken naar het hoe en waarom van de symptomen. De symptomen zèlf, staan in deze richting op de achtergrond. De therapeut zoekt samen met de cliënt, eerder naar de betekenissen die deze symptomen kunnen hebben. Gaandeweg leert de cliënt zichzelf beter kennen en gebeurt er een verwerking van de innerlijke conflicten. Deze verwerking kan o.a. door een catharsis op te wekken, m.a.w. men laat de cliënt de frustraties afreageren. Waar bij de suggestieve richting overwegend symptomatisch gewerkt wordt, stelt de non-directieve richting dus een explorerende werkwijze voorop en tracht men de oorzaken voor problemen, gedragingen en emoties, op te sporen.

In de non-directieve richting creëert de therapeut een aantal mogelijkheden, waardoor de cliënt meer kan open staan voor zijn/haar eigen gewaarwordingen: lichamelijk en psychisch. Tijdens deze vorm van therapie gaat het niet om de houding, denkwijze,… van de therapeut, maar kan de cliënt wel méér stilstaan bij de eigen gedachteninhouden. De nadruk wordt gelegd op de ontdekking van de eigen belevingswereld en van hieruit kan men dan zèlf, in een laatste fase, tot oplossingen komen. Omdat men symptomen laat  bestaan, met de bedoeling ze te doorgronden, betekent dit dat men het lijden niet meteen gaat proberen te verlichten door de symptomen eenvoudigweg weg te suggereren. Het suggestieve aspect, is in deze richting dus tot het minimum gereduceerd.

De belangrijkste therapie binnen deze non-directieve richting is de Psychoanalyse. Freud heeft ons gewezen op de invloed van het onbewuste op het gewone dagelijks leven en het is ontegenzeglijk zijn verdienste geweest om een diepgaande benaderingswijze te bedenken om dat onbewuste te exploreren.

Enkele verschillen in opvattingen, die voor ons nu niet belangrijk zijn, hebben ertoe geleid dat al van in deze pionierstijd ook àndere therapieën ontstonden, naast de Freudiaanse Psychoanalyse (Jung, Adler, Reich,…) die toch allen analytisch van grondslag zijn. Halverwege de vorige eeuw was er zelfs een ‘big bang’ in de wereld van de analytische psychotherapie met vele gevolgen: Gestalttherapie, Oerschreeuwtherapie, Psychosynthese, Transactionele Analyse, Bioenergetica,… Aan dit lijstje kan ook de therapie van dr. Speyer toegevoegd worden. Speyer, een Nederlander die naar Amerika uitweek, was tijdens WO II krijgsgevangen geweest en het is misschien niet verwonderlijk dat hij, jaren later, een therapie het daglicht liet zien, waarin het doelgericht aanpakken van oude frustraties centraal staat.

Vanaf 1967 kreeg, wat hij nu de Speyertherapie noemde, stilaan vorm en gestalte in een land waarin men de psychoanalyse nu pas echt ontdekt had. Zijn ideeën bundelde hij in een aantal boeken. Telkens bleek dat hij aan zijn therapierichting gewerkt had want ze werd telkens gestructureerder. In 1972 gaf hij de eerste opleidingen in Nederland en in 1973 ging hij daarmee door in Merchtem bij Brussel.

Al  van in het begin van deze loot van de psychoanalytische stam, gold één van de kritieken op de gevestigde therapieën, de lange behandelingsduur. De Speyertherapie kon zich dan ook beroepen op een kortdurende aanpak om emotionele problemen te behandelen. De zienswijze was en is nog steeds psychoanalytisch, waarmee deze therapie zich van meet af aan inschreef in de traditie van het Freudiaans gedachtengoed. De basisidee bijvoorbeeld, dat problemen in het hier-en-nu teruggebracht moeten worden naar hun oorzaken en dat deze vaak gesitueerd zijn in de vroege kindertijd, is binnen het psychoanalytisch kader niets nieuws. Hoe goedbedoeld de opvoeding ook mag zijn, toch kan niemand ontsnappen aan frustraties. Als met deze frustraties niet adequaat omgegaan kan worden, ontstaan enerzijds bepaalde persoonlijkheidsstructuren, ‘programmeringen’ zoals men dat in de Speyertherapie is gaan noemen en anderzijds zal zich dit gaan uiten in bepaalde symptomen,  neurosen, wat Speyer ‘knaagproblemen’ noemde. Er wordt dan gedacht aan overspannenheid, depressies, angsten, relatieproblemen, minderwaardigheid, schuldgevoelens, seksuele problemen, psychosomatische problemen,…

 

De behandeling bestaat eruit dat in een eerste tijd men tien opeenvolgende werkdagen naar de therapeut komt. Gedurende anderhalf uur wordt heel gericht gewerkt naar de oorzaken van de problemen. Dit gebeurt voor een groot deel door de cliënt op zijn/haar verhaal te laten komen, maar ook door het afreageren mogelijk te maken. Frustraties die men vroeger niet kon of mocht uiten, vinden hun weg nu wèl. Deze spanningsontlading vinden we voor een deel ook terug bij Freud, maar vooral bij de Bioenergetica. 

 

Prof. Dr. Steven de Batselier van de Universiteit van Leuven schreef: “De Speyer-methode is meer dan alleen maar psychotherapie: het is een definitieve afrekening met een frustrerend bestaan; het is de mens terugvoeren op de maat van het menszijn; het is herboren worden. De Speyer-methode komt hierop neer: mensen opnieuw de volheid van het leven schenken”.

 

Omwille van een amalgaam van wettelijke en inhoudelijke redenen, werd in 1993 in Vlaanderen gekozen voor een eigen koers en ook een nieuwe naam:  ‘Orthotherapie’. Jaren ervaring met de Speyertherapie leidden tot nuanceringen in de theorie en zijn er klemtonen anders komen te liggen. Concreet betekent dit dat de Orthotherapie nog gestructureerder is dan de Speyertherapie ooit geweest was. Verder besteedt men in de Orthotherapie, terecht, belang aan de verwerkingsperiode want vrijwel geen enkel probleem laat zich na tien werkdagen ‘oplossen’. De functie van de  tiendaagse is gelegen in de mogelijkheid op een vrij korte tijd te raken aan de oorzaken van de neurosen, maar dit op zich is nog geen therapie. Zoals Freud schreef in “Herinneren, herhalen, doorwerken”,  heeft de cliënt heel wat te verwerken en zo’n verwerkingsproces laat zich niet vangen door de beperkte tijd van tien werkdagen. Maanden na deze actieve fase, spreken therapeut en cliënt nog af, maar natuurlijk niet meer aan het ritme van de actieve fase. Pakweg een halfjaar na de tiendaagse, kan de therapie beeïndigd worden. Het spreekt voor zich dat dit individueel verschilt. Sommige cliënten kunnen na een maand een zodanig resultaat bereikt hebben, dat ze in overleg met de therapeut besluiten om de therapie te beeïndigen omdat het doel bereikt is.

 

In 2005 besloten wij om een eigen therapierichting te starten, omdat onze therapeutische ervaringen en persoonlijke ontwikkeling ons tot op een punt brachten waarop we moesten erkennen dat de Orthotherapie voor ons te weinig mogelijkheden bood. Ons eigen geesteskind hebben we de naam Bevrijdingstherapie gegeven.

De psychoanalytische uitgangspunten blijven centraal en, méér nog, zijn belangrijker dan ooit tevoren. Concreet blijkt dat al uit de structuur van de opleiding, waarin een pakket Psychoanalyse opgenomen is. De actieve periode van de Bevrijdingstherapie bestaat niet meer uit tien opeenvolgende werkdagen om de eenvoudige reden dat er vrij weinig mensen zijn die zich dat kunnen permitteren. Het dagelijks leven stelt immers ook zijn eisen en dagelijks anderhalf uur therapie kan de cliënt misschien onderuit halen, i.p.v. ondersteunen. Nee, wij zijn de mening toegedaan dat je ook op een andere manier intensief kunt werken. Voorts is ook de opbouw van de therapie van die aard dat tenminste ruim stilgestaan kan worden bij problemen. Als op de vierde dag van de actieve fase een bepaald moeilijk aspect van de neurose belicht wordt en de cliënt de behoefte heeft om er langer bij stil te staan, kan er bijvoorbeeld tijdens de sessies nadien op teruggekomen worden, totdat er zich een stabilisering voordoet. In veel therapieën is de cliënt zowat verplicht om het ritme van de therapeut te volgen en het de sessie nadien maar over andere zaken te hebben, gewoon omdat de therapeut vindt dat nu een ander onderwerp (en een andere specifieke techniek) aan bod moet komen. De Bevrijdingstherapie wil het verhaal van de cliënt accentueren en niets opdringen. Immers, onze eigen waarden en normen, hoeven niet die van een ander te zijn of te worden. Respect, onvoorwaardelijke aanvaarding en empathie zijn belangrijke aspecten van de Bevrijdingstherapie die de mens weer mens wil laten zijn.

 

Roelants André en Speelmans Geert.

TERUG